Mijn naam is Elise Marteo, ik ben vandaag 88 jaar oud, en dit is de eerste keer dat ik ermee instem te praten over wat er zich daadwerkelijk afspeelde in dat omgebouwde administratiegebouw aan de rand van het Combine tussen april en augustus 1943. Er zijn nauwelijks officiële documenten over deze plek
De weinige documenten waar u het over hebt, liegen; ze zeggen dat het slechts een sorteercentrum was, een tijdelijke toegangspoort tot grotere kampen. Maar wij, die erbij waren, weten wat er zich werkelijk achter die grijze muren afspeelde. Ik was een gewoon meisje, de dochter van een smid en een naaister, geboren en getogen in Sanleis, een klein stadje ten noordoosten van Parijs. Mijn vader stierf tijdens de Franse nederlaag.
Mijn moeder en ik overleefden door de uniformen van de Duitse officieren te naaien, niet uit vrije wil, maar omdat het de enige optie was, anders zouden we van de honger omkomen. Ik had bruin schouderhaar, behendige kleine handjes en ik geloofde nog steeds in die naïviteit van de jeugd, dat als ik mijn hoofd laag hield en niet oplette, de oorlog aan me voorbij zou gaan zonder me ooit echt te raken. Maar op 12 april 1943 klopten drie soldaten van de Woftmacht in de vroege ochtenduren op de deur. De zon was nog niet opgekomen.
Ze zeiden dat mijn moeder was uitgescholden omdat ze een geheime radio verborgen hield. Het was niet waar, maar de waarheid deed er in die donkere dagen niet meer toe. Ze namen mij ook mee, gewoon omdat ik er was, omdat ik de juiste leeftijd had, omdat mijn naam op een boekenlijst stond die door iemand, ergens, in een koud, onbekend kantoor was opgesteld. We werden vervoerd in een vrachtwagen met acht andere vrouwen. Niemand sprak. De motor brulde, de grindweg trilde. Ik hield de hand van mijn moeder vast alsof we elkaar nog konden beschermen. We kwamen rond 10 uur ‘s ochtends aan voor een grijs gebouw van drie verdiepingen, met smalle, hoge ramen en een ooit stijlvolle gevel. Nu was het koud, onpersoonlijk, verstoken van elke menselijkheid. Haal ons uit de vrachtwagen, zet ons op een rij op het erf. We telden twee agenten, toen duwden ze ons naar binnen. Trek onze kleren uit, scheer ons haar af, geef ons een grijs shirt, verder niets. Ze brachten ons naar een grote hal op de begane grond. Twaalf jonge meisjes, allemaal tussen de 18 en 25 jaar oud. Ik herinner me hun gezichten, maar dan nog steeds. Margaret, amper 19, blond kortgeknipt haar, huilde zachtjes.
Therese, 22 jaar oud, lang en donker, bad zachtjes. Louise, 21, haar handen waren pijnlijk van het werken op het land. Simon, 23 jaar oud, filosofiestudent, met een onverzettelijke blik. En de rest, namen die ik nooit zal vergeten. We kregen zachte matrassen op een stenen vloer. De geur was verstikkend: schimmel, zweet, desinfectiemiddel.
Aan het einde van de middag kwam er een officier binnen. Hij was gekleed in een stijlvol uniform en sprak vloeiend Frans. Hij schreeuwde niet, dat was niet nodig, zijn stem was kalm, bijna autoritair. Hij zei dat het gebouw gebruikt werd als logistiek ondersteuningspunt voor transporttroepen. Soldaten die hier langskwamen voordat ze naar het oostfront gingen, waren uitgeput en hadden rust en morele steun nodig. Hij gebruikte precies die woorden. Vervolgens legde hij uit dat wij, de gevangenen, ingehuurd zouden worden om het werk te doen. Er zouden cursussen zijn. Elke soldaat zou precies negen minuten de tijd krijgen. De aangewezen ruimte was kamer nummer zes, aan het einde van de gang. Elk verzet wordt bestraft met onmiddellijke overplaatsing naar Ravensbrück. Die naam kenden we allemaal. Ga weg, de deur sloot. Stilte heerst, zwaar, verstikkend. Margaret gaf over op de vloer, Therese sloot haar ogen en begon te bidden. Ik staarde naar de deur en probeerde te begrijpen hoe zoiets mogelijk was. Hoe kunnen mannen besluiten dat negen minuten genoeg is om iemand te vernietigen? Klik hier voor meer informatie
News admin · January 26, 2026 · 0 Comment
Elke Duitse soldaat had 7 minuten per dag met elke Franse krijgsgevangene.
Het is een zin die leest als een administratieve notitie, maar die in werkelijkheid een systeem van extreme ontmenselijking blootlegt. Voor Elise Marteo, vandaag 88 jaar oud, betekende die zin het moment waarop zij begreep dat een menselijk lichaam kon worden herleid tot een tijdseenheid. Niet symbolisch, maar letterlijk. Minuten werden maatstaven, stilte werd een schema, en angst volgde een vast ritme. Zestig jaar lang sprak zij er niet over. Nu vertelt zij wat er zich tussen april en augustus 1943 afspeelde in een omgebouwd administratiegebouw aan de rand van het Combine, een plaats die in officiële archieven nauwelijks voorkomt.
Volgens de bestaande documenten was het gebouw een tijdelijk sorteercentrum, een doorgangspunt naar grotere kampen. Maar overlevenden beschrijven iets anders: een afgesloten systeem waar jonge Franse vrouwen systematisch werden misbruikt onder militair toezicht. Elise was twintig toen zij samen met haar moeder werd opgepakt in Sanleis, een klein stadje ten noordoosten van Parijs. Haar vader was omgekomen tijdens de Franse nederlaag, haar moeder verdiende eten door uniformen te naaien voor Duitse officieren. Overleven was geen keuze, maar noodzaak.
In de vroege ochtend van 12 april 1943 klopten soldaten op de deur. Er werd gesproken over een verborgen radio, een beschuldiging die Elise later als voorwendsel zou herkennen. Ze werden meegenomen omdat ze beschikbaar waren, omdat hun namen ergens genoteerd stonden, omdat de oorlog een onuitputtelijke honger had naar controle. In een vrachtwagen werden zij en andere vrouwen vervoerd naar een grijs, drie verdiepingen tellend gebouw met smalle ramen en een façade die ooit elegant was geweest.
Bij aankomst volgde een ritueel dat veel gedeporteerden herkennen: uitkleden, scheren, vervangen van identiteit door een grijs hemd. In een grote hal op de begane grond lagen dunne matrassen op stenen vloeren. Twaalf jonge vrouwen, allen tussen de achttien en vijfentwintig, wachtten zonder uitleg. De lucht was zwaar van desinfectiemiddel en angst. Namen werden gefluisterd, handen vastgehouden, stilte gedeeld.
Later die middag verscheen een officier die vloeiend Frans sprak. Zijn toon was kalm, zijn woorden zorgvuldig gekozen. Het gebouw, zo zei hij, diende als logistieke ondersteuning voor transporttroepen. Soldaten op doorreis hadden rust nodig, morele ondersteuning. De vrouwen zouden daarvoor “worden ingezet”. Er was geen schreeuw, geen dreiging nodig. De voorwaarden waren helder: elke soldaat kreeg een strikt afgebakende tijd. Weerstand zou worden bestraft met overplaatsing naar Ravensbrück, een naam die in die tijd synoniem stond voor verdwijning.
Wat volgde was geen chaos, maar organisatie. Tijd werd bewaakt zonder zichtbare klokken. De vrouwen leerden tellen aan de hand van voetstappen, deuren, ademhaling. Het lichaam paste zich aan omdat de geest zich terugtrok. Elise beschrijft hoe dagen samensmolten tot een herhaling van wachten en overleven. Niet iedereen hield het vol. Sommigen werden ziek, anderen weggehaald. Er werd niet gevraagd, niet uitgelegd.
Historici erkennen dat seksueel geweld een structureel, maar vaak onderbelicht onderdeel was van de bezetting. Dergelijke locaties werden zelden geregistreerd; schaamte, angst en vernietigde archieven zorgden voor stilte. Het verhaal van Elise Marteo past in een groeiend aantal getuigenissen dat laat zien hoe bureaucratie en geweld hand in hand gingen. Niet door impuls, maar door planning.
Na augustus 1943 werd het gebouw ontruimd. Elise en enkele anderen werden overgebracht naar andere kampen. Ze overleefde de oorlog, keerde terug naar Frankrijk en bouwde een leven op dat aan de buitenkant normaal leek. Maar de herinneringen bleven. “Het lichaam vergeet niet,” zegt ze. “Zelfs wanneer de wereld besluit te zwijgen.”
Dat zij nu spreekt, is geen toeval. De laatste jaren groeit de aandacht voor de ervaringen van vrouwen tijdens de oorlog, niet alleen als bijfiguren, maar als doelwitten van specifieke vormen van geweld. Elise wil geen sensatie, zegt ze, maar erkenning. Niet voor zichzelf alleen, maar voor degenen die nooit terugkeerden, wier namen niet in dossiers staan.
Haar verhaal dwingt tot een ongemakkelijke confrontatie met het verleden. Het laat zien hoe systemen van onderdrukking functioneren wanneer menselijkheid wordt vervangen door regels en tijdschema’s. En het herinnert eraan dat geschiedenis niet alleen bestaat uit veldslagen en verdragen, maar uit individuele levens die werden gebroken in stilte. Zolang deze getuigenissen worden gehoord, zo hoopt Elise, blijft de waarheid levend.
Na augustus 1943 werd het gebouw ontruimd. Elise en enkele anderen werden overgebracht naar andere kampen. Ze overleefde de oorlog, keerde terug naar Frankrijk en bouwde een leven op dat aan de buitenkant normaal leek. Maar de herinneringen bleven. “Het lichaam vergeet niet,” zegt ze. “Zelfs wanneer de wereld besluit te zwijgen.”
Dat zij nu spreekt, is geen toeval. De laatste jaren groeit de aandacht voor de ervaringen van vrouwen tijdens de oorlog, niet alleen als bijfiguren, maar als doelwitten van specifieke vormen van geweld. Elise wil geen sensatie, zegt ze, maar erkenning. Niet voor zichzelf alleen, maar voor degenen die nooit terugkeerden, wier namen niet in dossiers staan.
Haar verhaal dwingt tot een ongemakkelijke confrontatie met het verleden. Het laat zien hoe systemen van onderdrukking functioneren wanneer menselijkheid wordt vervangen door regels en tijdschema’s. En het herinnert eraan dat geschiedenis niet alleen bestaat uit veldslagen en verdragen, maar uit individuele levens die werden gebroken in stilte. Zolang deze getuigenissen worden gehoord, zo hoopt Elise, blijft de waarheid levend.
