Volgens peilinganalist Maurice de Hond is het onmogelijk om met zekerheid te voorspellen hoe de electorale verhoudingen er in 2026 uit zullen zien. De volatiliteit onder kiezers is daarvoor te groot. Zijn analyse richt zich daarom niet op uitslagen, maar op het krachtenveld dat bepalend zal zijn voor de komende jaren. Dat krachtenveld laat een politiek landschap zien dat instabiel oogt, maar mogelijk stabieler wordt dan velen verwachten.
De kern van het politieke jaar 2026 ligt volgens De Hond in Den Haag. Nederland lijkt af te stevenen op een minderheidskabinet onder leiding van premier Rob Jetten. Dat kabinet zal moeten opereren in een sterk gepolariseerde samenleving. Wetgeving kan alleen worden aangenomen met wisselende meerderheden, soms over links, maar vaak ook over rechts.
Het kabinet kan alleen vallen als een Kamermeerderheid dat afdwingt of als een van de regeringspartijen zelf opstapt. Die eerste optie acht De Hond weinig waarschijnlijk. Daarvoor zouden vrijwel alle oppositiepartijen moeten meewerken, waaronder JA21, dat met zijn zetels een sleutelpositie inneemt. Juist daarom verwacht hij dat het kabinet vooraf afspraken zal maken met JA21, mogelijk zelfs met bewindspersonen. De tweede optie ligt vooral bij de VVD.
D66 en CDA hebben weinig belang bij een kabinetsval. De VVD wel, maar alleen als zij electoraal zwaar in de knel komt en een tussentijdse verkiezing kansrijk lijkt. Tegelijkertijd herinnert De Hond aan 2023, toen de VVD zelf de stekker uit het kabinet trok en vervolgens de PVV veruit de grootste werd. Dat scenario zal de partij voorzichtig maken.
Wie de verkiezingen sinds 2017 bekijkt, ziet één constante: enorme verschuivingen, vooral rechts van het CDA. FVD werd de grootste bij de Provinciale Statenverkiezingen van 2019. BBB deed dat in 2023. De PVV behaalde datzelfde jaar een recordaantal van 37 zetels bij de Tweede Kamerverkiezingen. NSC steeg in korte tijd naar twintig zetels en verdween net zo snel weer.
