De jongen slikte. Zijn handen trilden terwijl hij de rand van zijn jas vastgreep.
“Ze zijn niet hier,” zei hij opnieuw. “Ze zijn niet dood. Ze… ze zijn weggegooid.”
Ismaël voelde hoe de wereld onder zijn voeten instortte. Hij greep de rand van het graf vast alsof de aarde hem anders zou opslokken.
“Wat bedoel je met… weggegooid?” vroeg hij hees. “Wie zou zoiets doen?”
De jongen keek om zich heen, bang dat iemand hen hoorde. Toen boog hij zich dichter naar Ismaël toe.
“Bij de oude stortplaats. Achter het industrieterrein. Daar brengen ze dingen heen die niemand wil… of die niet mogen bestaan.”
Ismaëls hart bonsde in zijn borstkas.
“Hoe weet jij dit?” fluisterde hij.
De jongen aarzelde. Toen zei hij:
“Omdat ik daar woon.”
Die woorden sneden dieper dan elk mes.
Ismaël stond langzaam op, zijn knieën zwak. “Hoe heet je?”
“Lucas,” antwoordde de jongen. “Maar dat maakt niet uit.”
“Het maakt wél uit,” zei Ismaël vastberaden. “Alles maakt nu uit.”
Lucas haalde diep adem.
“Na de brand,” begon hij, “werden er ’s nachts twee meisjes gebracht. Ze waren verbrand… maar ze ademden nog. Een man zei dat ze niet naar een ziekenhuis mochten. Dat het ‘te ingewikkeld’ zou worden. Dat iemand er veel geld voor had betaald om het stil te houden.”
Ismaël voelde misselijkheid opkomen.
“Ze huilden,” fluisterde Lucas. “Ze riepen papa. Ik hoorde het……………
